Refugia, vluchtplaatsen voor vis bij droogte

05-07-2023 543 keer bekeken

De toenemende kans op droogte is een factor die ook in de ontwerpen van KRW Maas-geulen doorwerkt. Zogenoemde refugia nemen daar een belangrijke plek in. Het zijn diepere stukken waar vissen naar toe kunnen vluchten als een geul geheel of gedeeltelijk droogvalt.

Afhankelijk van het soort geul vullen refugia zich met grondwater, rivierwater of een combinatie van beide. Dat is de reden waarom er altijd water in staat. Om goed te werken, moeten ze wel aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Vuistregels

De vuistregel is dat een refugium, of meerdere refugia tezamen, minimaal 10% van de totale geulomvang beslaan. En het is noodzakelijk dat het diepste punt minimaal 1 meter onder het Gemiddeld Laagste Grondwaterpeil (GLG) ligt. Alleen dan zal er in principe altijd water in de 'kuil' staan. Het GLG wordt van tevoren bepaald via veldonderzoek met peilbuizen. Logischerwijs moet er tevens sprake zijn van voldoende toestroom van grondwater. Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar is niet overal het geval. Daarom wordt ook dat van tevoren uitgezocht. Tot slot is het een vereiste dat de bodem uit zand bestaat. In tegenstelling tot klei laat zand namelijk goed water door.

10 cm extra voor de Benedenmaas

Voor het deel van de Maas stroomafwaarts vanaf Lith – de Benedenmaas – geldt nog een bijkomende eis. Voorsorterend op de vaker verwachte laagwaters in de zomer en de stijgende zeespiegel, moeten refugia in de Benedenmaas nog zo’n 10 cm dieper worden aangelegd dan de standaard 1 meter. Hier geldt niet het GLG als uitgangpunt, maar kijken we naar de laagste rivierwaterstanden. Het watersysteem gedraagt zich er namelijk anders dan in de Zandmaas, die van Borgharen tot en met Lith wordt beteugeld met 7 stuwen en sluizen. Daar blijft het grondwater door de tegendruk van de watermassa in de stuwpanden beter op peil; het stroomt zodoende minder snel weg richting de rivier. Benedenstrooms van stuw Lith zijn er geen stuwen meer in de Maas. Vanaf dat punt stroomt de rivier vrij af richting de Noordzee. Eb en vloed hebben daardoor in de Benedenmaas nog enige invloed, waar rekening mee moet worden gehouden in de ontwerpen.

Overal gewenst

Vluchtplaatsen zijn zowel in geïsoleerde als aangetakte geulen belangrijk. Geïsoleerde geulen zijn watermilieus met een beperkte omvang en stilstaand, ondiep, water. Van nature hoort dit type leefgebied thuis in het Maaslandschap. Vissen zijn daar niet per se doelsoorten, maar kunnen er wel in voorkomen. De grote modderkruiper en bittervoorn bijvoorbeeld houden wel van zo'n plantenrijke en luwe omgeving. Ze kunnen er in terecht komen bij hoogwater, als de geïsoleerde geul overstroomt. Maar ook vogels nemen viseitjes mee aan hun poten of veren en laten die in het water vallen. Wat betreft reptielen en amfibieën is regelmatige droogval overigens juist een must voor het voortbestaan. In de slikkige randen leggen ze hun eitjes. Vissen kunnen ze daar niet bij gebruiken, die eten die eitjes maar al te graag op.

Maar refugia bieden ook in eenzijdig aangetakte en zelfs permanent meestromende geulen een welkome veilige – en koelere - haven voor vis, zoals de beoogde nevengeul bij Bokhoven. Want die kunnen eveneens te maken krijgen met droogte als de waterstand in de Maas flink daalt. Daarom neemt Rijkswaterstaat refugia nu in principe in het ontwerp van alle soorten geulen op.

Schaduw

Een andere maatregel om het waterleven door droge warme zomers heen te helpen is zorgen voor voldoende schaduw via bomen en struiken op de oever. Begroeiing vermindert de opwarming van het water en daarmee tevens de verdamping. Dat groen is echter niet overal gewenst, omdat ruwe vegetatie in strijd kan zijn met de richtlijnen voor doorstroming van uiterwaarden bij hoogwater, zoals vastgelegd in de Vegetatielegger. Het streven is echter wel dit zoveel mogelijk in te bouwen in de plannen. In de Capelsche uiterwaard bijvoorbeeld, waar aanplant aan zuidzijde van de  geulen is voorzien.

 

 

 

Cookie-instellingen